THORIKOS IN DE OUDHEID

Mythologie en literatuur

Hoewel er een aantal interessante verwijzingen zijn teruggevonden, leert de antieke literatuur ons bijzonder weinig over Thorikos.

In de mythologie zijn drie verhalen terug te vinden waarin de site wordt aangehaald. Zo weten we dat de legendarische koning Kekrops Attika in twaalf staatjes verdeelde, waarvan Thorikos er één was. In de Homerische 'hymne aan Demeter' wordt vernoemd dat de godin in Thorikos terecht kwam tijdens haar reis naar Eleusis. Verder is het verhaal van Kefalos en Prokris ook het vermelden waard. Deze oude mythe gaat terug tot de late Bronstijd en onderlijnt het belang van Thorikos tijdens de Myceense periode.

Deze mythes kunnen een kern van waarheid bevatten, maar een historische bron zijn ze allerminst.

Verschillende antieke auteurs vernoemen Thorikos maar in de meeste gevallen is dit slechts een korte vermelding. Herodotos, Demosthenes, Strabo en Plinius vermelden de site bij naam. Thukidides en Xenofoon hebben het over Thorikos in verband met de Peloponnesische oorlogen (431-404 v.Chr.).

In de eerste eeuw n.Chr. schreef de Romeinse auteur Pomponius Mela een wat cryptisch zinnetje dat velen deed denken dat Thorikos in die tijd niet meer was dan een spookstadje, maar tijdens opgravingen botsten men ook op laat-Romeinse of vroeg-Byzantijnse scherven, wat deze vermelding toch wel in een ander daglicht plaatste.

Historisch overzicht

Thorikos is zonder meer uniek te noemen. Op een en dezelfde locatie worden ons bewijzen van menselijke aanwezigheid uit alle periodes van de antieke geschiedenis voorgeschoteld. De allereerste sporen waren een reeks scherven gerelateerd aan de Kephala cultuur (overgang van het laat-Neolithicum naar de vroege Bronstijd), snel gevolgd door resten uit de vroege, midden en late Bronstijd. De meest indrukwekkende zijn ongetwijfeld de monumentale Myceense graven aan de top van de Velatouri, onderzocht door de universiteit van Luik en grofweg daterend tot de 15de eeuw VC. Uit de Geometrische periode stammen zowel nederzettingsresten als graven maar er is nog geenszins sprake van een echt nederzettingspatroon.

Daarvoor is het wachten tot –voornamelijk het 2de deel- de Archaďsche periode. Vondsten worden aangetroffen in iedere zone van de site: het zogenaamde ‘Industrieel Kwartier’, de Theater Zone, de Acropolis en de necropolen. De meest noemenswaardige gebeurtenis is ongetwijfeld de constructie van het theater. Ondanks deze opmerkelijke activiteiten, worden vreemd genoeg weinig tot geen sporen van mijnbouw en ertsontginning aangetroffen, een situatie die volledig zal omslaan in de Klassieke Periode (480-323 VC).

Tijdens deze fase was er in Thorikos (voornamelijk in het Industrieel Kwartier), zowel wat bewonings- als industriële activiteiten betreft, een werkelijke explosie van activiteiten te bemerken. Los van deze ontegensprekelijke bloei, was de Klassieke periode ook een bijzonder woelige tijd. Tijdens de overgang van de 5de naar de 4de eeuw VC worden we geconfronteerd met een bijna volledig hiaat in het archeologisch materiaal, een situatie die ongetwijfeld kan gerelateerd worden met de Peloponnesche oorlogen die de activiteiten in de Laurion sterk verstoorden. Pas in de loop van de 2de helft van de 4de eeuw VC zien we een langzame heropstart van de mijnbouw. Het karakter dat Thorikos uitstraalt verandert nu ook drastisch. Terwijl de 5de eeuw VC eerder als een "residentiële" fase kan beschouwd worden, heeft de 4de eeuw VC nu een uitgesproken industrieel karakter. Woonhuizen worden heringericht tot workshops en verspreid over het Industrieel Kwartier en in de Theater Zone worden ertswasserijen en daarbij horende cisternes opgetrokken. Noemenswaardig is de positie van Athene in geheel deze evolutie. De macht en rijkdom die de stadstaat in de loop der tijd uitbouwde, steunde namelijk voor een groot deel op het zilver van de Laurion. De studie van hoe de zilverindustrie functioneerde is dus essentieel voor het begrip van het Klassieke Athene.

In daaropvolgende Hellenistische periode, confronteert de site ons met een verwarrend beeld. Er zijn nog duidelijke sporen van activiteit maar deze vallen op het eerste zicht fel terug om uiteindelijk zelfs volledig te verdwijnen. Deze evolutie loopt parallel met de onrustige gebeurtenissen in de rest van de streek. Het is een brug te ver om dit te beschouwen als het einde van de mijnbouw, maar desalniettemin is ook duidelijk dat de echte gloriedagen definitief verleden tijd waren. Een opmerking in de kantlijn is dat deze situatie gedeeltelijk een gevolg kan zijn van de geringe interesse van veel onderzoekers voor de Hellenistische periode, wat het vondstenmateriaal automatisch ondergewaardeerd maakt. Wat de Romeinse tijd betreft, worden we overigens met ongeveer hetzelfde beeld geconfronteerd. In de Laat-Romeinse periode was er ontegensprekelijk opnieuw bewoning en mijnactiviteit in Thorikos (meeste resten werden aangetroffen rondom Insula 3) maar van een echte heropstart was geenszins sprake. Vrij snel komt dan ook aan de Romeinse aanwezigheid een einde.