HISTORIEK VAN DE OPGRAVINGEN

Van 2010 tot heden

 

Tijdens de survey van 2008 werden ten noorden van het Industrieel Kwartier enkele interessante observaties gedaan met betrekking tot het onderzoek naar water management in Thorikos. Aangezien dit thema nauw aansluit bij het doctoraatsonderzoek van Kim Van Liefferinge werd in 2010 besloten opnieuw opgravingen te starten. Dit onderzoek heeft een tweeledig doel: enerzijds het verkrijgen van inzicht in de opslagcapaciteit van water voor menselijke en dierlijke consumptie en voor gebruik in de zilverwinning en anderzijds het verkrijgen van inzicht in de aspecten van voedselconsumptie (olie, wijn en vissaus aan de hand van transportamforen; vlees, vis en schaaldieren aan de hand van het botmateriaal en de schelpen).
In het verleden werd watervoorziening in Thorikos steeds als een groot mysterie omschreven. Men was van mening dat er niet voldoende cisternes waren om zowel de ertswasserijen als de bevolking van genoeg water te voorzien. De observaties tijdens de survey deden echter vermoeden dat enkel een gebrek aan onderzoek aan de basis van dit probleem ligt. De opgraving van 2010 beoogde hier verder aan tegemoet te komen.
De campagne concentreerde zich op de grootste cisterne van de Velatouri (meer specifiek in Macro-square A51, net boven het Industrieel Kwartier). Ook werd aandacht besteed aan het verwijderen van de begroeiing in de directe omgeving om een beter beeld te krijgen van de structuren die aan de cisterne kunnen gerelateerd worden. De resultaten zijn door de preliminaire staat van onderzoek nog beperkt maar niettemin werden al enkele bijzonder interessante observaties gedaan.
De cisterne behoorde tot een groter complex van ertswasserijen en cisternes ingericht rond de centrale Mijn nr.2 (een kainotomia op een hoogte van 40m). De structuur is relatief goed bewaard en heeft een onregelmatige vorm (9x4,5x7,5x5,5m), die gezien de ondergrond ongetwijfeld lokaal interessant moet geweest zijn. De rotsige bodem werd aangepast en weggehakt waar nodig en aangevuld met muurwerk bestaande uit grote rechthoekige steenblokken. Verder werden enkele speciale maatregelen getroffen om het bassin van de cisterne waterdicht te maken. Eerst en vooral werden alle scheuren in de rotsige ondergrond opgevuld met een kalkmortel, vervolgens werd de volledige binnenkant van de cisterne nog eens bedekt met een dun laagje waterdichte plaaster.
Onderzoek van de muurresten in de directe nabijheid van de cisterne, doen vermoeden dat de cisterne deel uitmaakte van een grotere workshop. Aan de westelijke zijde van de cisterne was een duidelijke werkplaats te bespeuren. De ondergrond was er afgevlakt en aangepast waar nodig. Iets verderop werd een maalsteen gevonden, gebruikt voor het fijnmalen van zilver-ertsen. Meer naar het oosten werden we geconfronteerd met een reeks van moeilijk te interpreteren structuren. Er werden verschillende gebogen muurtjes aangetroffen die op een vreemde manier georganiseerd waren. Aangezien geen enkele parallel kan getrokken worden met andere workshops in de Laurion, blijft hun functie voorlopig nog een raadsel. Toekomstig onderzoek zal zich hier dan ook verder op focussen. Een andere merkwaardige observatie is dat voorlopig elk spoor ontbreekt van een ertswasserij, nochtans een cruciaal onderdeel van een metallurgie workshop.
De cisterne was speciaal gebouwd om regenwater op te vangen dat langs de helling naar beneden stroomde. Er waren ook enkele extra maatregelen genomen om een maximale waterrecuperatie te garanderen. Zo was de locatie van de cisterne geenszins toeval. De helling was op dit punt steiler dan elders en de ondergrond was er ook opmerkelijk egaal. Verder was de meest oostelijke muur van de cisterne naar boven doorgetrokken, waardoor deze als een soort dam ging functioneren die regenwater rechtstreeks in de cisterne leidde.
De cisterne bleek op het einde van de opgraving een stuk dieper te zijn dan oorspronkelijk was verwacht. De inhoud van 80 m, zoals gesuggereerd door Prof. Mussche, was met andere woorden ver onderschat. Ondanks het feit dat we nog niet op de bodem van de cisterne gebotst zijn, bleek de structuur nu al een capaciteit te hebben van minstens 125 m. Deze observatie werpt daardoor een ander beeld op de watervoorzieningsproblematiek die in het vroegere onderzoek werd aangehaald.
Verder valt op dat 9% van de ongeveer 700 vondsten te dateren zijn van de 5de tot 6de/7de eeuw, wat de historiek van de activiteiten in deze zone in een ander licht stelt. Tot nu toe was laat-Romeinse aanwezigheid in het gebied rond de cisterne nog niet duidelijk aangetoond.
Er bestaat nog geen duidelijkheid over de precieze lay-out en chronologie van de workshop. In de lijn van de andere ergasteria in Thorikos en de Laurion, kan er echter wel van uitgegaan worden dat de workshop werd opgericht naar het einde van de 5de eeuw VC of 4de eeuw VC toe. Toekomstige campagnes zullen verder op dit aspect focussen.